En nu werk maken van duurzame mode!

Onderzoeker Michiel Scheffer schreef ter gelegenheid van de Erasmus Descartes Conferentie een essay over duurzame mode, en de noodzaak daarvan.

Michiel Scheffer is Project Manager Textile and Sustainability aan de Wageningen University and Research (WUR). Tijdens de Erasmus Descartes Conferentie zal hij optreden als moderator.

Michiel Scheffer

De wereld gebruikt ruim 100 miljoen ton vezels per jaar. Daarvoor is een landbouwareaal van ongeveer Frankrijk nodig. Om deze hoeveelheid te telen, te produceren, te wassen en te hergebruiken is een hoeveelheid water nodig gelijk aan minstens 2 miljoen olympische zwembaden of de gehele inhoud van het Erie meer. Met een groeiende bevolking wordt het beslag van textiel op grond, water en energie alleen maar groter. Gemiddeld gebruikt een bewoner van deze aarde 13 kilo textiel per jaar. Dat is kleding, maar ook bedtextiel, de stoel van uw auto, de buitenband van uw fiets, het composiet in de trein, de microfoon van uw telefoon, het kunstgrasveld waarop uw kinderen sporten, de filter van uw drinkwater, de kogelvrije vesten van uw politie. In Europa gebruiken we ruim 30 kilo textiel per jaar. Maar bedenk daarbij dat 2 miljard bewoners op deze aarde de 5 kilo  per jaar niet eens halen, maar dat 1 miljard  inwoners al ruim boven de dertig kilo zitten. Bedenk dan ook wat er gebeurt als we allemaal van 13 naar 20 kilo gaan: dan hebben we de grond van Duitsland erbij nodig, en water van twee keer de Dode Zee, oftewel nog een miljoen zwembaden. Dat kan de wereld niet aan. Het roer moet om.

Het roer zal ook omgaan. In de eerste plaats gebruiken we voor onze textielbehoefte voor 75 procent  fossiele grondstoffen, denk daarbij vooral aan polyesters. 20 procent is nog katoen, maar een katoenboer gaat liever voedselgewassen telen, dat levert meer op. Ongeveer 5 procent komt uit overige hernieuwbare gewassen: vooral viscose uit hout in Zweden en Zuidoost-Azië, wol uit Oceanië en linnen uit Europa. In 2050 zal de hele textielvoorziening biobased moeten zijn om te kunnen voldoen aan een fossiel vrije economie, zoals de EU ambieert: dat zijn biobased polyesters, viscose uit planten maar ook uit afval en tenslotte meer hennep en linnen. Andere oplossingen zijn er nog niet, want bedenk dat een nieuwe vezel ontwikkelen, toepasbaar te krijgen en in teelt en productie op te schalen 20 tot 30 jaar kost. Die tijd hebben we niet en zelfs deze transitie kost al honderden miljarden euro’s.

Wat moet er gebeuren? Om te beginnen, minder maar beter consumeren. Vooral in rijke landen moeten we terug van ruim 30 naar 20 kilo consumptie per persoon. Terug naar 1990 dus, zo erg was het niet in 1990. Minder en beter: dat betekent producten met een langere levensduur, producten die we bewust kopen en niet in een opwelling, producten die we kunnen herstellen, producten die een tweede leven kunnen geven. Dat gaat niet zomaar: het vraagt om betere consumenteninformatie, beter ontwerpen, maar het zal ook betekenen, meer uitgeven aan betere producten. Maar het heeft ook technische uitdagingen, want betere producten worden van lange garens gemaakt, garens die dertig jaar geleden nog in wolspinnerijen in Roubaix gemaakt werden. Die spinnerijen zijn er niet meer, dat moeten we weer opbouwen. We moeten ook meer gaan recyclen, maar om te recyclen moet je wel met een goed materiaal beginnen. Dat is een materiaal van kwaliteit, zonder mengingen, zonder stoorstoffen. Dat betekent dus niet alleen ontwerpen voor levensduur maar ook voor recycling.

In de tweede plaats zullen we in materialen moeten verschuiven. Dat is geen kernfysica, maar vooral verschuivingen tussen bestaande vezels. In de eerste plaats is dat het vervangen van fossiele bouwstenen zoals dimethyltereftalaat en glycol voor polyester te vervangen door biobased alternatieven. Deze kunnen worden verkregen uit landbouwafval of voedselafval. In de tweede plaats is dat het bevorderen van viscoseproductie uit inheemse gewassen zoals miscanthus, hennep, misschien mais maar zeker ook katoenafval. En als nicheproductie kun je denken aan betere wol en aan linnen, maar die gaan het wereldprobleem niet oplossen. De linnenproductie van Cherbourg tot Terneuzen is 100 kiloton, ons probleem is duizend keer groter. Deze transitie is kostbaar: we moeten 75 miljoen ton productie omzetten, dat is ongeveer 1 miljoen euro per 1000 ton aan investeringen, oftewel 75 miljard euro aan nieuwe productiecapaciteit.

In de derde plaats zal de keten beter moeten gaan werken. Dat begint bij de katoenboer die dit jaar, in 2020 evenveel inkomen heeft aan zijn gewas als zijn ouders 50 jaar geleden en dat zonder inflatiecorrectie. Het geldt ook voor een confectiemedewerker die 30 jaar geleden in Tubbergen of Tourcoing een gezinsinkomen kon vergaren, hetgeen een confectiemedewerker in Dhaka of Sousse nu niet meer kan. Dat kan bereikt worden door meer efficiency, minder snijverliezen, minder overproductie, minder uitverkoop. Maar ook door betere inkomens en rendementen voor boeren, betere afspraken in de keten maar ook betere arbeidsrechten voor werkenden.

De Erasmus-Descartes conferentie 2020 gaat over wat Frankrijk en Nederland kunnen doen, ieder voor zich maar vooral ook samen. Deze twee landen zijn 1 procent van de wereldbevolking, 3 procent van de wereldeconomie, maar ook de eerste concentratie luxeconcerns, de grootste  textiel wereldhaven, significante spelers in technisch textiel, leiders in biopolymeren en een unieke concentratie aan textielkennis tussen Lyon en Groningen. Op onderwijsgebied in textiel zijn Frankrijk en Nederland de tweede en derde spelers in de EU. Daarbij hebben zowel de Franse als de Nederlandse regering hun engagement voor circulair textiel in eigen beleidsvoornemens uitgewerkt, maar ook naar elkaar uitgesproken. De Erasmus-Descartes conferentie 2020 bouwt voort op deze gezamenlijke gedrevenheid. Hier bespreken experts nieuwe ideeën en praktische oplossingen voor gezamenlijke uitdagingen; hier verdiepen Frankrijk en Nederland hun kennis en zoeken de landen verdere samenwerking op.  

Frankrijk en Nederland kunnen het voortouw nemen in regelgeving, zowel door van elkaar te leren als door samen in multilateraal verband op te trekken. Laat ik een voorzet geven over wat tenminste op EU niveau maar liefst multilateraal nodig is. In de eerste plaats moet de prijs van dimethyltereftalaat verkregen uit fossiele grondstoffen met een euro per kilo verdubbeld worden, of dat via een CO2 heffing, accijns of een afvalstoffenheffing moet komen, is een kwestie van uitwerking, maar met de huidige lage prijs voor fossiele polyester krijgen katoenboeren geen eerlijke opbrengst, ontstaat er geen markt voor biobased polymeren, heeft viscose een prijsnadeel dat niet door betere eigenschappen wordt opgevangen en komt recycling niet van de grond. Dit is maar een voorbeeld om aan te tonen dat er behoefte is aan brede aanpak. Niet alleen organisch katoen, of een enkele biopolymeer maar eerder een soort multivezelakkoord (accord multifibre) met een pakket aan maatregelen.

Frankrijk en Nederland kunnen ook de kennis-as worden van circulair textiel. Mijn Wageningen Universiteit en Research Centre (WUR) in Nederland en INRA in Frankrijk zijn kernspelers in natuurvezels van linnen tot katoen. Beide landen hebben leidende spelers in biopolymeren. ENSAIT en Saxion zijn top in toegepaste kennis en werken beide nu ook aan de opbouw van proeffabrieken. ArtEZ, AMFI en Institut Francais de la Mode (IFM) zijn leidende instituten in het opleiden van ontwerpers en managers voor de modesectoren. Op regionaal niveau kan ook inniger samengewerkt worden in de renaissance van de linnenteelt en verwerking. Op dit moment werken WUR, IFM met RWTH in Aachen aan een kennisalliantie. Ook werken organisaties in Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Oost-Nederland aan een gezamenlijke routekaart in katoen/polyester recycling. Deze drie regio’s kunnen met Nordrhein-Westfalen een regio worden waar vanuit een nieuw laken een pak wordt gemaakt. Maar juist deze conferentie is er voor om nieuwe verbindingen te leggen, en nieuwe combinaties te breien.

In de derde plaats is het zaak gebruik te maken van de kracht van ondernemingen. In Frankrijk heeft een groep bedrijven onder de auspiciën van President Emmanuel Macron de basis gelegd voor een Global Fashion Pact. In Nederland werkt de jeansindustrie in Amsterdam aan een denim-deal, hebben bedrijfsleven en Niet-Goevernementele Organiaties een convenant eerlijke kleding gesloten met operationele afspraken. Uiteindelijk gaat het om het operationele niveau: je hebt een mondkapje om je gezicht te beschermen, je hebt schoenen nodig om op stap te gaan. Laten we samen beschermd op stap gaan. Frankrijk heeft een relance verte aangekondigd, Nederland een groeifonds: beiden willen investeren in groene groei. Deze conferentie kan een basis leggen voor verdere gezamenlijk ambities, plannen en uitvoering. Ik daag ook iedereen uit om die ambities concreet te maken.

Afkortingen:

AMFI (Amsterdam Fashion Institute)

ArtEZ (Artez University of the Arts)

ENSAIT Ecole nationale superieure des arts et industries textiles)

IFM Institut Francais de la Mode

INRA Institut National de la Recherche Agronomique

RWTH Rheinisch-Westphalische Technische Hochschule